Het woord is aan: John van Westrenen

Door: Herman Hiemstra Categorie: Geschiedenis, Hoofdklasse, Nieuws 2021

John van Westrenen (1949) was van 1967 tot 1977 – samen met Herman Beidschat – het beste wat het Nederlandse honkbal op het gebied van pitching te bieden had. Zijn volledige actieve loopbaan bracht hij door bij Sparta Rotterdam, waar in zijn tijd ook het roemruchte supertrio powerhitters Hudson John, Simon Arrindell en Hamilton Richardson actief was.

In 1969 maakte hij deel uit van het Nederlands team dat de Europese titel won; hij werd in dat jaar tot beste werper van het toernooi uitgeroepen.

In 1970 leek het erop dat zijn tot dan toe sprankelende carrière vervroegd tot een eind kwam. Een slopende knieblessure, die eerder leek te worden veroorzaakt door tbc, maakte hem het spelen op topniveau onmogelijk.
De eerdere diagnose waar tbc als mogelijke oorzaak uitkwam, werd in verdere onderzoeken echter te niet gedaan. Er bleek een operatieve oplossing haalbaar die voldoende vertrouwen gaf. Na een geslaagde operatie in april 1971 in de Militaire Rudolf Steiner Kliniek in Scheveningen geeft de Rotterdamse orthopeed en knie-expert Ten Cate de verklaring af dat Van Westrenen ‘volledig genezen’ is. “Voorzichtig beginnen” was zijn advies.

Zogezegd, zo gedaan.

Na zes Nederlandse Kampioenschappen met Sparta, een Europees Kampioenschap met het Nederlands Team, deelname aan het WK in Colombia, een zilveren Balink medaille als pitcher en een ongelofelijke Amerika-ervaring rijker neemt ‘Long John’ in 1977 afscheid van de actieve honkbalsport, na eerst in 1975 nog een tweede knieoperatie te hebben ondergaan door wijlen Dr. Rein Strikwerda in Utrecht. De schoenen hangen alweer decennialang aan de wilgen; zijn handschoen heeft hij cadeau gedaan aan Rob Menheere, destijds ‘ballenjongen’ bij Sparta 1… later een zeer verdienstelijk hoofdklassespeler voor datzelfde Sparta.

Na diverse bestuurs- en coach-functies bij Sparta, Blue Stars in Numansdorp en Vlaardingen Holy, is het nu een mooi moment om terug te kijken.

Volg je het honkbal nog actief?

Absoluut! Uiteraard via tv en de multimedia. Omdat het honkbal op de Nederlandse televisie tegenwoordig minder aandacht krijgt, kijk ik veel naar verslagen van wedstrijden uit de Amerikaanse competities; én de World Series niet te vergeten.

Ben je nog vaak op de velden?

De laatste keer was tijdens het WPT van 2019 in Rotterdam. Dat komt door mijn beperkte mobiliteit. Ik heb versleten tussenwervels en intussen ook een heup- en knieprothese. Daardoor kan ik geen lange afstanden meer lopen, lang staan of lang op een tribune zitten.

Ik vind het wel jammer dat de publieke belangstelling in deze tijd minder groot lijkt dan vroeger. Ik herinner mij de tijd nog wel dat er bij een ‘gemiddelde’ competitiewedstrijd op Nieuw Vreelust (de thuisbasis van Sparta-HH) duizenden mensen op de tribune zaten.

Omdat het nationale team ook toen al goed presteerde, kregen wij soms ook ‘hoog’ bezoek.

Wat is er in jouw ogen het meest veranderd in het honkbal?

Internationaal is dat toch vooral de snelheid waarmee wedstrijden worden gespeeld. Dat bevordert de kwaliteit van het honkbal als kijksport.

Minder positief ben ik over het te pas en te onpas inzetten van relievers. Het lijkt wel dat het als startende werper een wedstrijd tot aan de laatste bal uitgooien tegenwoordig niet meer mag.

De keren dat ik in de Nederlandse competitie ‘gerelieved’ ben, zijn – als je alle wedstrijden bij elkaar optelt – spreekwoordelijk op de vingers van één hand te tellen. Ook vind ik dat de intrede van de DH (aangewezen slagman) voor de werper, maar niks. Voor mij is het slaan misschien wel het leukste onderdeel van het spel.

Wie was jouw idool toen je klein was?

Ik had er niet één, maar twee: Don Drysdale en Sandy Koufax van de Los Angeles Dodgers. Ik heb daar later in Florida én Los Angeles een trainingsstage mogen volgen op uitnodiging van het Leo van de Kar fonds. Een geweldige ervaring!

Van wie heb je het meest geleerd in je loopbaan?

In Nederland: John Heijt, Henk Hendriks, Jan v.d.Tol, Wim Geestman en Charles Urbanus Sr.
In de VS: Bill Arce, Wes Parker, Goldie Holt en Red Adams.

Weet je nog wat jouw eerste interland was?

In 1968, een demonstratiewedstrijd in Hull (U.K.) met het Nederlands B-team en in 1969 met het A-team tijdens de Haarlemse Honkbalweek tegen The Sullivans.

Wat is de mooiste wedstrijd die je ooit hebt gespeeld?

Dat kan ik zo niet zeggen. Voor mij zijn dat er ook twee. Natuurlijk de EK-finale van 1969 tegen Italië in Wiesbaden. Maar daarnaast ook een competitiewedstrijd uit 1970. Sparta en Haarlem Nicols hielden elkaar 11 innings volledig in evenwicht.  In de 12de inning dreunde Dazzy Rasmijn mijn 165ste worp van die middag over het hek en verloren wij met 1-0. Voor de duizenden toeschouwers op de tribune van Pim Mulier was het genieten van de eerste tot de laatste bal. Het pitchersduel dat ik die middag met Herman Beidschat uitvocht, was volgens iedereen de wedstrijd van het jaar.

Ten slotte

Het gooien van een no-hitter is een knappe prestatie van een werper. In de wedstrijd slaagt dan geen enkele tegenstander om met een honkslag de honken te bereiken.

No-hitters komen niet vaak voor. In de geschiedenis van de Hoofdklasse ongeveer 50 keer. Maar het kan nóg specialer: een dubbele no-hitter. Twee opeenvolgende wedstrijden (op één dag of in één weekend) tussen dezelfde teams die met een no-hitter worden beslist. Die unieke prestatie is in de Nederlandse competitie éénmaal geleverd: in het Pinksterweekend van 1972. Wil je daar meer over lezen? En over mijn rol daarbij, ga dan naar: Uniek: back-to-back no-hitters (1972) | Honkbalsite



Reageren op dit artikel? Stuur een bericht via het contactformulier.

Trefwoorden:

Verwante artikelen