sitemap    
Voor de oorsprong van het honkbal moeten we ver terug in het verleden. Tal van verhalen deden en doen de ronde. Hieronder worden verschillende verhalen toegelicht. Ook kun je hier meer lezen over de geschiedenis van het honkbal in Nederland en de oprichting van de Koninklijke Nederlandse Baseball en Softball Bond.

Hoewel de Amerikanen blijven volhouden dat hun nationale sport honkbal, in 1839 werd bedacht door Abner Doubleday, staat het vast dat deze sport zijn oorsprong heeft in een oud Engels spel (Rounders). De sport zoals wij die beoefenen werd inderdaad door Doubleday op 20-jarige leeftijd "uitgevonden". In de plaats waar hij woonde, Cooperstown (New York), bevindt zich het grootste honkbalmuseum van de wereld. In 1845 werden de eerste spelregels door Alexander Joy Cartwright aan het papier toevertrouwd. Bijna 150 jaar later gebruiken we nog steeds de afstand tussen de honken van 27 meter en werpt de pitcher de bal vanaf 18.45 meter over de thuisplaat.

Diezelfde Cartwright kwam op het idee om een vereniging op te richten en dat mondde uit in de New Yorkse Knickerbocker Baseball Club. Deze club voerde op 3 september 1845 een aantal regels in en verhief daarmee Baseball van tijdverdrijf voor kinderen tot een volwaardige sport voor volwassenen.
Op 19 juni 1846 werd de eerste honkbalwedstrijd gespeeld in Hoboken, New Jersey. De New york Knickerbockers en de New York Base Ball Club brachten de regels in de praktijk. In 1868 werd door Harry en George Wright de eerste profhonkbalclub (Cincinnati Red Stockings) opgericht. De eerste competitie dateert van 1876.

Stootball

Volgens andere verhalen werd Rounders (honkbal) al eerder bedacht en stamt het af van het spel Stootball. Dit was een spel dat in de paastijd werd gespeeld en voor zover is na te gaan werd het al in 1330 door melkmeisjes en boerenknechten in Engeland gespeeld.
In 1748 speelden kinderen van de Engelse koninklijke familie, waaronder de latere George III, honkbal en 12 jaar later in 1760 gaf Hugh Gaine, een New Yorkse drukker, het "Little Pretty Pocket Book" opnieuw uit en in die heruitgave werd voor het eerst de term Baseball gebruikt.
Tussen 1800 en 1840 werden allerlei vormen bedacht om het spel aantrekkelijker te maken en in de literatuur komen we ook de namen Roundball (1800) en Townball (1833) tegen. In Engeland werd het in die tijd afwisselend Pecker en Feeder genoemd, maar meestal toch Rounders.
Pas in 1829 kwamen de eerste regels van Rounders op papier in het boek "The Boy's Own Book" van William Clarke en volgens deze regels werden er vier stenen of palen als honken gebruikt. Met drie gemiste ballen (slag), een vangbal of een foutbal was de slagman uit.
In 1842 kwam een aantal New Yorkse zakenmensen regelmatig bijeen uit overwegingen van gezondheid, ontspanning en vermaak op een open plek op de hoek van Madison Avenue en de 27th Street en speelden Baseball.

Amerika

In 1865 werd de American Baseball Corporation opgericht. Elf jaar later kwam er een scheiding tussen de amateurs en professionals. In 1902 werd The National League of Professional Baseball Clubs opgericht, gevolgd door de oprichting van The American League. Samen vormen deze organisaties The Major Leagues. Bij de National Association of Professional Baseball Leagues zijn de Minor Leagues aangesloten. Het overgrote deel van het beroepshonkbal is georganiseerd. The National League en The American League bestaan samen uit dertig clubs. De kampioenen van beide leagues spelen aan het eind van het seizoen een serie wedstrijden, de World Series. Er worden maximaal zeven wedstrijden gespeeld en om winnaar te worden moet men vier wedstrijden hebben gewonnen.

Nederland

Foto: © uit archief van Leo Kops
van boven naar beneden van links naar rechts:
Henny Regeling, Piet de Nieuwe, Han Urbanes, Joop Bakker, Joop Geurts, Herre Kok, Henk Lukkien, Leo Kops, Hennie van Lieshout, Nol Houtkamp, Martin Jole, Dolf de Zwart, Jan den Hartog, Jan Smids, Henk Keulemans, Nico Brands, Ad Kraal
Pas na de eeuwwisseling raakte honkbal in Nederland bekend. De Amsterdammer JCG Grasé was op vakantie in de Verenigde Staten en zag daar enkele honkbalwedstrijden. Hevig onder de indruk introduceerde hij na zijn terugkomst het spel in Nederland. Door zijn achtergrond als docent Engels kon hij de moeilijke spelregels vertalen. Op 12 maart 1912 richtte Grasé de Nederlandse Honkbal Bond op. Een jaar later speelde de honkbaltak van de sportclub Excelsior onder de naam AHC Quick. Quick was de eerste georganiseerde club in Nederland.
De eerste officiële competitie begon in 1922. Ajax, Blauw Wit, Hercules en Quick vormden de hoogste divisie. Quick werd in dat jaar de eerste kampioen van Nederland.
Rond de Tweede Wereld Oorlog kwam de softbalsport op. Het spel met de kleinere afstanden (honk- 18.30 en werpafstand 12.20 meter) en de grotere bal won snel aan populariteit. Op 15 september 1951 werd de Nederlandse Dames SoftbalI Bond opgericht. Een jaar later ging het eerste landskampioenschap naar HHC uit Haarlem. In het begin van de jaren zeventig werd het herensoftbal geintroduceerd.

De oudste vermelding van Nederlands honkbal komt uit Doetinchem. Lees hierover het artikel op de website http://www.sportgeschiedenis.nl.

Andere landen

Behalve in de Verenigde Staten en Nederland wordt honkbal ook in Canada druk beoefend en het neemt daar als fastball een belangrijke plaats in naast de nationale sport lacrosse. Diverse Latijns-Amerikaanse landen (onder andere Cuba, Mexico, Colombia en Venezuela) zijn eveneens in hoge mate baseball-minded, terwijl honkbal ook een nationale sport werd van de Japanners en Zuid-Koreanen.
Na de Tweede Wereldoorlog werd honkbal snel populair in Europa, met name in Italië, België, Frankrijk, Duitsland.
In België is honkbal, beter bekend als baseball, een jonge sport. De Belgische Baseball- en Softballfederatie werd pas in 1937 opgericht. De oudste Belgische vereniging is de Antwerp Baseball Club (1923).

KNBSB

De Koninklijke Nederlandsche Honkbalbond (KNHB) werd op 12 maart 1912 in Amsterdam opgericht op initiatief van honkbalpioniers Grasé, Bleesing en Baggelaar. Grasé introduceerde de sport in het begin van de vorige eeuw in ons land, Bleesing werd later de langszittende bondsvoorzitter en meest actieve promoter van de sport, terwijl Baggelaar de grondlegger was van het scheidsrechteren bij de honkbalwedstrijden.
In 1971 heeft een fusie plaatsgevonden tussen de KNHB en de Nederlandse Amateur Softball Bond. Deze fusie heeft geleid tot de Koninklijke Nederlandse Baseball en Softball Bond (KNBSB). In 1934 werd de eerste officiële internationale wedstrijd gespeeld, in Haarlem tegen België. Er zijn nu ruim 200 clubs verspreid over Nederland.

Enkele jaren voordat de bond werd opgericht en ook voordat op het IJsclubterrein in Amsterdam in 1911 de feitelijke bakermat van het Nederlandse honkbal werd gelegd. Hieronder kun je verschillende bijzondere historische feiten lezen, die je helpen om een voorstelling te maken van honkbal en softbal door de jaren heen.

Het IJsclub-terrein in Amsterdam is de bakermat van ons honkbal. Daar werd in 1911 al gespeeld. Toch blijkt er al eerder honkbal te zijn gespeeld: een wedstrijd van heren en... dames met van die heel kuise, de vloer vegende rokken. Een gemengde sport dus! In 1908. Wie kikte in 1980 over emancipatie? Een softbalvrouw? Nee toch!

In Haarlem ongeveer eenzelfde beeld. In 1923 is er een honkbaldemonstratie waar ene Kuling als ongeveer enige toeschouwer een kijkje gaat nemen. Enige maanden later richt hij de HC Haarlem op. De eerste opvoering van de nieuwe zomersport heeft menjaren gedacht. Vergeet het maar. 'De eerste klap in Schoten' striemde al van het slaghout in... 1912. Ongeveer daar waar - hoe juist gekozen - het huidige softbalveld van HHC ligt. Toch houden wij de al jarenlang geldende historie in ere: het IJsclubterrein is de hoofdstedelijke startplaats en de Kleverlaan de bakermat in Haarlem.

De man die ons honkbal maakte

Een roemruchte geschiedenis wordt door prominenten geschreven. Een van die prominenten was Grasé, die eerst in Amerika honkbal voor de Hollanders ontdekte en daarna op 12 maart 1912 de Nederlandse Honkbalbond stichtte. De meest prominente is echter ongetwijfeld Emile Bleesing, de man die ons honkbal maakte. Speler, scheidsrechter, teambegeleider, bestuurder, organisator, initiatiefnemer op velerlei gebied en bovenal doorzetter, die in zichzelf en zijn sport geloofde. 'Zonder Bleesing,' zei zijn vriend M.C. Bakker, 'zou er in ons land geen honkbal geweest zijn.'
Zijn grootste probleem is de competitie geweest. Tien jaar lang. Clubs kwamen en verdwenen in die begintijd en alleen zijn eigen AHC Quick doorstond de kinderziekten goed. In 1921 was er dan ook nog altijd geen sprake van een echte competitie. Er waren nog maar twee clubs. Dat jaar deed Bleesing een gouden greep. Twee leden van Quick werden door hem naar hun voetbalclubs gestuurd om daar een honkbalafdeling op te richten: Wim Drilling naar Blauw Wit en Daan Roodenburgh naar Ajax, voetbalclubs van grote naam dus. Deze apostelen deden hun werk met succes en zo kon een competitie van vier clubs vlot van start gaan. Heel elegant van de concurrentie werd Quick in 1922 de eerste kampioen van Nederland en Blauw Wit en Ajax in de volgende twee jaren.

Ook Haarlem

De basis was gelegd. Vooral toen Kuling in dezelfde tijd de HC Haarlem oprichtte, waardoor twee steden in het honkbalgewoel terechtkwamen. Zes jaar later in 1929 volgde HHC als specifieke honkbalclub. Al in 1928 speelden de HHC'ers-in-spé al wat voor hun plezier. Toen ze echter in 1929 als hobbyisten aan de Zilveren Bal van HC Haarlem wilden meedoen, zei Kuling: 'Eerst aansluiten bij de Bond. Zo werd HHC min of meer gedwongen een echte club te worden. Beide oudste Haarlemse verenigingen zijn overigens in 1976 samen verder gegaan onder de naam Sparks.
Kuling was ongetwijfeld een man met visie. Het straathonkbaltoernooi is daarvan een bewijs. Deze jaarlijkse jeugdhappening was heel wat seizoenen bijzonder in trek en om straatkampioen van Haarlem te worden, was een hele eer. Het toernooi van HC Haarlem heeft heel wat spelers van formaat opgeleverd: Roel de Mon, Kees Koning, Jan Scheurman en Henk Keulemans om er maar een paar te noemen.

Het voorbeeld van Ajax en Blauw Wit vond speciaal in de jaren dertig navolging in de Spaarnestad. 'Honkbal werd de ideale zomersport voor voetballers', want EDO, RCH, Schoten en TYBB werden in die tijd opgericht. In het begin van de oorlog gingen ook PSV in Eindhoven en Sparta en Neptunus in Rotterdam honkballen.

Internationale kontakten

Terug in de tijd: Nederland - Belgie, 28 juni 1953. De wedstrijd wordt in een voetbalstadion gespeeld waardoor een werpheuvel ontbreekt. Ook de kwaliteit van het eerste honk is discutabel. De uniformen daarentegen zien er goed uit, de aktie van de eerste honkman ook. Internationaal was er al in de twintiger jaren contact. Amper had een Amerikaans marineschip zijn ankers in één van onze havens uitgegooid, of Bleesing stapte aan boord. Na even onderhandelen konden bondsteams tegen de Yankees van Pittsburgh of Detroit spelen: de Amerikanen meestal Arnerikaans gekleed, de Hollanders soms in de wonderlijkste combinaties. Tegen Pittsburgh gebruikte men het oude RCH-terrein aan de Middenweg in Haarlem-Noord en merkwaardig genoeg was de eerste officiële interlandwedstrijd ook bij RCH, maar wel in Heemstede waarheen de Racing Club Haarlem inmiddels verhuisd was.
Op 26 augustus won Holland met 21-12 van België om vier weken later in Antwerpen met 19-17 deemoedig het Oranje-hoofd te buigen. Op een runnetje werd in die dagen niet gekeken. 'Als je zes punten achter kwam,' aldus catcher Jan Baas, 'dan timmerde je dat de volgende inning toch weer even bij.'

‘Taai ongerief’

De kleding is voor onze honkballers, en later ook voor de softbalsters, in de begintijd lang een 'taai ongerief' gebleven. In 1936 in Parijs vonden de Fransen die voetbalbroekjes maar raar voor de toeschouwers - er zaten er een handjevol - en speelden de Oranjemannen in geleende pakken, waarop snel het NHB-embleem werd genaaid. 'Kerels als Wilders en Bosscher zat het,' volgens een andere international Jaap Hartog, 'nogal strak om het lijf.' Geen beletsel overigens om met 9-5 te winnen.
Het Drielandentoernooi in het Stade Pershing tijdens de Parijse Wereldtentoonstelling van 1937 met de Belgen en Fransen werd ook een Oranje-succes. Weer in pakken van de Franse gastheren, ditmaal gestreept; wel echter met een nieuw NHB-wapen. De eerste prijs: een bijna meterhoge vaas van echt Sèvres porselein, waar niemand op de weg terug goed raad mee wist. Wellicht had men liever de Amerikaanse pakken als hoofdprijs meegenomen, want twee maanden later werd in Haarlem een 5-3 overwinning op de Belgen behaald weer in - wel keurig, hoor - voetbaltenue.

Zendelingen Kampioen van Nederland

De brede visie van Bleesing bleek ook weer in 1939. Onder de naam Salt Lake City speelden het jaar daarvoor Mormoonse dominees vriendschappelijke partijtjes. Ze konden er wel wat van. Bleesing maakte dat deze zendelingen in het nieuwe seizoen onmiddellijk in de hoogste klasse van de vaderlandse competitie werden geplaatst. De Seagulls - hun nieuwe naam - werden prompt landskampioen en alleen voor Blauw Wit (7-1) en HHC (6-2) moesten de Amerikanen opzij.
Hun thuiswedstrijden op het legendarische IJsclub-terrein en de uitwedstrijden in Amsterdam en Haarlem trokken veel belangstelling. De kreten 'Shuppy' - hun korte stop - en 'come on, baby boy' waren niet van de lucht en werden door onze honkballers overgenomen. Het hele optreden van de Seagulls was een brok propaganda, hoewel er tegen het 'Amerikaanse geblèr' hier en daar wat bezwaren aangetekend werden. Dit gebeurde later ook bij de start van ons softbal. Alleen werd 'Amerikaans geblèr' toen 'luidruchtig honkbalgedoe' genoemd. Ja, honkbal was duidelijk op weg een volkssport te worden; de zgn.- betere kringen spraken in die dagen van 'slagerscricket'.

Bleesing trok er zich weinig van aan. Zijn sport ging vooruit en de directeur van de bekende Boldoot-fabriek kwam bij iedere club kijken of bracht op verzoek 'zijn handel' mee. Vrijwel geen sportzaak zag brood in de import van honkbal-attributen uit dat verre Amerika. Geen probleem, Bleesing liet het zelf komen en zonder winstbejag stond hij voor iedereen klaar. Je kon kiezen: een handschoen voor f3,50 of f4,50.

Honkbal in oorlogtijd

Tijdens de oorlog is er, in tegenstelling tot België, heel lang (tot 20 augustus) doorgespeeld. Wel werd de toch al niet rooskleurige materiaalpositie van de clubs steeds nijpender en kwam de beruchte Vredesteinbal als surrogaatknikker op de velden. In oorlogstijd zeker een mooie naam en ook heel welwillend van de bandenfabriek om in het ballengat van de honkbalmarkt te willen springen. Die krengen waren echter loodzwaar en, gemaakt van geperste kurk, sprongen na een klap soms in twee stukken. Ook hadden ze geen naad om curve te kunnen gooien.

De vindingrijke Wim Geestman zag zich daardoor van zijn voornaamste wapen beroofd en sneed er daarom een stukje uit om zijn vinger in de keep te kunnen leggen. Deze honkbal- en basketbalinternational vocht in 1943 in het Ajax-stadion een geweldig pitchersduel uit met de honkbal- en voetbalinternational Cor Wilders. Deze beslissingswedstrijd om het landskampioenschap moest bij 0-0 verlengd worden en pas in de elfde inning kon door de enige run van Wilders bij Blauw Wit voor de zesde maal de vlag hoog in de top.
Terecht betrok de VVGA-er Besanger in een brief de 'Hooggeachte Heer Bleesing' in de feestvreugde: 'Het was een mooie dag voor de teams van Blauw Wit en Ajax, het was een mooie dag voor onzen Bond, maar vooral was het de bekroning voor Uw jarenlange onvermoeide en opofferende propaganda voor ons spel.' Een terechte lofrijzing voor Bleesing, die twee van zijn beste spelers wegstuurde in het algemeen honkbalbelang. Iets om zelfs in deze tijd over na te denken.

Bevrijding

De bevrijding en de Canadezen kwamen. In het Zuiden speelt al op 8 oktober 1944 PSV een wedstrijd tegen de Royal Canadian Air Force, die voor Nederlandse begrippen ook nog wat anders konden dan vliegen. Het Westen moest nog meer dan een half jaar geduld hebben. Dan zijn ook in dat deel van Nederland Canadezen en Amerikanen dadelijk bereid om tegen bondsteams - soms inclusief bijvoeding na de barre hongerwinter - te spelen.
In de oorlog was er weinig vertier en bij Ajax en EDO bevolkten duizenden toeschouwers de tribunes; het Noordersportpark en de bijvelden van het Olympisch stadion werden wekelijks omzoomd door hagen publiek. De geboden sport was zeker het aankijken waard. Daar stonden Haarlem, Ajax, Schoten, Blauw Wit, VVGA en HHC borg voor. Tweemaal H en eenmaal C, de club met de rode rechter- en de witte linkerkous; voor en nadien op geen veld ter wereld nog ooit gezien. In de Verenigde Staten dringt inmiddels door, dat ook in Holland baseball wordt gespeeld. Goed, het heet honkbal, maar dat vinden de Amerikanen zelf juist heel mooi.

'Marshall-hulp' ook voor honkballers

Dat er gebrek aan materiaal is, wordt ook al rap bekend en Norman McPhail zet de 'Marshall-hulp' voor honkballers op de rails. De gulle Amerikanen sturen een schip met van alles wat nodig is over de oceaan naar Holland en ambassadeur Baruch overhandigt voor de Stedenwedstrijd Haarlem - Amsterdam, generaties lang de Zomerklassieker, in 1948 de zending door de eerste bal naar catcher Joop Geurts van Haarlem te gooien.
Het leidt tot een bijna klassiek drama. Geurts neemt overgelukkig zijn bal mee naar huis. Na een paar maanden moet hij hem inleveren, want het bondsbestuur vind dat die bal van de Bond is. Geurts doet het niet, wordt geschorst en het wordt een heel lang punt op de Algemene Ledenvergadering. Het Bestuur blijft bij zijn standpunt en eist van Geurts dat hij de bal staande de vergadering inlevert. Geurts komt naar voren en zegt: 'U kunt kiezen.' Een tweede bal heeft hij namelijk door Baruch op de ambassade in Den Haag laten tekenen.

De McPhail-zending is nog jaren op onze honkbalvelden te bewonderen geweest. Het vorstelijke geschenk bestond niet alleen uit knuppels en ballen, maar ook uit complete sets kleurige honkbalpakken. Deze werden in de eerste plaats bestemd voor de 'visitekaartjes' van de Bond, dus de hoog spelende clubs. OVVO begon in knalrode pakken in 1949 aan een ware triomftocht, ook de grootste concurrent HHC droeg die kleur en schafte de unieke rode en witte kous maar af. Schoten verscheen clubgekleurd in het kanariegeel en Blauw Wit was uitgedost in prachtige blauwe pakken.
Naast het Blauw Wit toernooi voor de hoogst spelende clubs organiseert Haarlem al jaren zijn Zilveren Bal voor de iets beneden de top draaiende verenigingen. De Amsterdamse gymnast Dick van Rijn, later met de microfoon vergroeid, waardoor hij in 't Gooi terechtkwam, zet op Hemelvaartsdag in Hilversum het toernooi om de Zilveren Handschoen op poten. Veel eersteklassers gaan daar graag heen en het is uitstekende reclame voor het radiogewest. Het hoofdstedelijke ABC trekt veel publiek met het 'Bevrijdingstournooi'. Goed spel en gezellige sfeer op het Schinkelsportpark.

Balink in actie

In 1951 dwaalt toevallig Albert Balink in Hilversum rond en de tot Amerikaan geneutraliseerde Nederlander is stom verbaasd, dat hier gehonkbald wordt. Onmiddellijk komt hij in actie. 'Ik ben niet rijk, maar ik wil wel helpen,' zegt deze sympathieke weldoener. Door zijn relaties met de Holland-Amerika-Lijn kan Han Urbanus al in het voorjaar van 1952 naar een andere 'relatie' van Balink: de Major League-club New York Giants. Een jaar later in het kader van de Watersnoodramp nog eens. In 1954 is de beurt aan de andere toppitcher: Jan Smidt. Door lezingen verbreiden ze hun kennis in ons land. Met een schip van de H.A.L. en de steun van de Giants, opgefleurd door filmster Jane Wyatt, zorgt Balink ook voor een lading materiaal. Als goed journalist schakelt hij in 1953 de pers in en kiezen de honkbaljournalisten de Beste Pitcher, de Beste Hitter en de Allround, later Meest Waardevolle Speler, die de eerste gouden Balink-medailles krijgen.

Na Rome en Milwaukee

Door de kontakten met Amerikanen is er langzamerhand bij enige mensen iets gaan schemeren; honkbal vraagt een andere opzet dan voetbal. Nadat Oranje in 1956 naar Rome is getreind en door het veroveren van de eerste Europese titel een trip naar de Global World Series in Milwaukee verdient, wordt daar wel heel duidelijk dat we technisch en tactisch nog in de kinderschoenen staan.
Het is een bijzonder leerzame trip. Zo moet allereerst de competitie-opzet gewijzigd worden. Door een wedstrijd in de week kan een toppitcher doorslaggevend zijn. Han Urbanus heeft het juist bewezen, want zijn club OVVO vestigt van 1949-1953 een record met vijf landstitels op rij. De titanenstrijd tussen OVVO en HHC met de pitchersduels tussen Urbanus en Smidt trekken in die jaren duizenden toeschouwers. Zoals een generatie daarna Haarlem Nicols-Sparta meer dan tien jaar het spektakelstuk zal zijn. Dan worden er echter dubbelwedstrijden gespeeld en moet een team over meer pitchers beschikken.

In die jaren verdwijnt Amsterdam geheel uit het beeld, want pas 24 jaar na de zesde titel van OVVO in 1955 zorgde de afsplitsingsclub van de Kruislaanbewoners, Amstel Tigers met Charles Urbanus (zoon van Han) als grote troef, pas weer dat de hoofdstad een kampioen binnen de muren krijgt.

Thuishaven der Spartanen

Hudson John De eerste kampioen buiten de aloude bastions Haarlem en Amsterdam is Sparta. Het dreigde door de geweldige slagkracht van het roemruchte Antilliaanse trio Hamilton Richardson, Simon Arrindell en Hudson John een langdurige teamsshow van de Rotterdammers te worden. Vooral omdat in Haarlem met vier van de acht topclubs de krachten danig versnipperd waren. De pionier van het Haarlemse honkbal Kuling sprak er op 73-jarige leeftijd al zijn verwondering over uit waarom men de krachten niet bundelde.

De Nicols: eerste Europa Cup en record aantal titels

Voorstellen voor een algehele sanering door twee topclubs te vormen, werden getorpedeerd. De besturen van EDO en de EHS Bulldogs, met de voorzitter Bud van Leuven en Jan Venema, stapten met hun leden over alle traditionele bezwaren heen en er kwam een gloednieuwe topclub: de Nicols. Al een kwart eeuw vertolkt deze club een hoofdrol. In 1966 veroverden de Nicols de eerste Europa Cup voor de Nederlandse sportwereld, waaraan er in 1974 en 1975 nog twee werden toegevoegd. Het titelrecord van Blauw Wit uit 1946 werd onder coach Jan Dik Leurs bijna veertig jaar later in 1985 gebroken met het tiende kampioenschap van de Nicols.
Zoals bekend was Sparta jarenlang de grootste rivaal, die in 1974 met de negende landstitel Blauw Wit's record evenaarde. Merkwaardig genoeg werd in die glorierijke periode nooit een Europa Cup gewonnen. Wel had Sparta een brede basis, want het tweede team bestond ook uit echte Nieuw-Vreelustelingen. In de periode 1963-1971 werd Sparta 2 negen jaar achter elkaar reserve kampioen van Nederland.

De Lichtstad

Ron Fraser en Hamilton Richardson Een bepaald niet onbescheiden rol heeft Eindhoven in de honkbalontwikkeling gespeeld. Na het geweldige succes van het eerste Europese kampioenschap op Nederlandse bodem in 1958 werd het honkbalveld aan de Kruislaan in Amsterdam weer afgebroken. De grote man in Brabant, Jan Sibille, wist met de nieuwe bondsvoorzitter Wout Posthuma, Philips-leider Ir. Otten warm te krijgen voor het eerste permanente honkbalveld (1959) in ons land; een jaar later deed deze honkbalmecenas met tien mille nog een duit in het bondszakje, zodat de eerste Amerikaanse coach kon worden aangetrokken: Ron Fraser. Zijn opvolger Bill Arce organiseerde in 1963 het eerste leerzame jeugdkamp en ook dat was weer in de Lichtstad.

Het Honkbalstadion: een Monument

Haarlem volgde het voorbeeld, legde eerst een honkbalveld aan en bouwde na het succes van de eerste Honkbalweek in 1961 twee jaar later zelfs een honkbalstadion, wat een monument in onze sportwereld genoemd kan worden. Het werd het grote centrum en bezorgde Haarlem de naam Honkbalstad, dat door de wereldwijd bekend geworden Honkbalweek nog steeds onderstreept wordt.
Sedert 1985 heeft de ambitieuze zakenstad Rotterdam het belang van een internationaal honkbaltoernooi begrepen en onder de stuwende leiding van Gerard Vaandrager is het havenstedentoernooi snel tot een 'nieuwe traditie' uitgegroeid.

Leo van der Kar

Bijzonder veel steun heeft de Bond altijd van Amerikaanse zijde gekregen. Toch moet ook een Nederlander niet vergeten worden: Leo van der Kar. Van het door hem ingestelde Sportfonds hebben ook heel wat honkballers geprofiteerd. Direct in de beginjaren al gingen Beidschat naar de Pittsburgh Pirates, Wim Crouwel naar Chicago White Sox, Boudewijn Maat naar de Los Angeles Dodgers en Ben de Brouwer naar de New York Yankees.

De media

Ons honkbal heeft zich jarenlang mogen verheugen in een serie journalisten, die behalve als verslaggever zich dikwijls ook op andere wijze bij honkbal betrokken hebben gevoeld. De beginregels werden geleverd door onder meer Bremer en Notebaard. Later kwamen daar Ben Muller, Wim Hamel, Theo Vleeshhouwer, Cor Jonker, Joop Köhler, Hans de Bie, Guus van der Heijden, Henk Knol, Hans Doeleman, Johan Carbo, Ad Brevet en Gé Hoogenbos bij.
Ook radioreporters aIs Dick van Rijn en Bob Spaak die, opgevolgd door Henk Bouman, voor het EK en de Honkbalweek stimulerende namen waren. Het indringende medium televisie werd steeds belangrijker en Theo Reitsma, Mart Smeets, Jan Stekelenburg, Hugo Walker en regisseurs Martijn Lindenberg en Paul Röhmer hebben op dikwijls verbluffend eenvoudige wijze het lastige honkbal in de huiskamer weten te brengen.

Overigens, de eerste televisiesportuitzending ter wereld was op 17 mei 1939 op Baker Field, New York, waar de honkbalwedstrijd tussen de universiteiten van Columbia en Princeton werd uitgezonden. Meer dan achttien jaar later werden beelden van het duel tussen Nederland en de Sabres van Soesterberg, gespeeld bij UVV in Utrecht, voor het eerst in ons land op de televisie gebracht. Dat was op 4 juli 1957. Een jaar daarna heeft de honkbalsport een ware zegetocht beleefd in de huiskamers met de uitzendingen van wedstrijden tijdens het eerste EK in Amsterdam.

'Uit is uit'

De scheidsrechters zijn in de honkbal- en softbalwereld toch wel een aparte groep. Van de mannen in het blauw, zoals ze in de States genoemd worden, is Piet Schijvenaar de meest kleurrijke geweest. Evert van Tuyl leidde de meeste wedstrijden tot op hoge leeftijd. Schijvenaar was de man, die struikelend tussen catcher en honkloper dook en toch prompt zijn beslissing gaf. Op de vraag van catcher Geurts, of hij het wel zeker wist, luidde zijn antwoord: 'Ik ben er nog nooit zo dicht bij geweest!' In een ander duel werd Schijvenaar gevraagd, waarom hij de honkloper uit gaf. Resoluut sprak hij de gedenkwaardige woorden: 'Uit is uit, omdat ik zeg dat ie uit is'. De scheidsrechters zijn in Amerika een geïsoleerde groep, die zelden in de belangstelling staan en van de tribunes hoogstens 'Boe' horen.

Casey at the bat

De honkballer, dat is de held. Vooral als het een groot hitter is. Het meest beroemde sportgedicht in de States gaat dan ook over een dergelijke geweldenaar met de knuppel. 'Casey at the bat' werd precies honderd jaar geleden door Ernest L. Thayer gecomponeerd en is sindsdien in Amerika het meest voorgedragen gedicht geworden. Het schitterende verhaal heeft dan ook een plaats gekregen in het National Baseball Museum in Cooperstown.

Zomersport gezocht

Jules Kammeijer is bijna de uitvinder van softbal geweest. Voor zijn sportschool Gymnasion zocht hij een zomersport. Honkbal vond hij voor recreatiesporters te moeilijk en gevaarlijk. Daarom bedacht hij een variatie. Een handschoenenfabriek leverde hem een zachtere en grotere bal, een timmerfabriek wat kleinere en lichtere knuppels en een zeilmakerij kussens en een werp- en een thuisplaat van... linoleum, want het was oorlog. Omdat er teveel 'wijd' werd gegooid, liet Jules onderhands gooien en werden de afstanden aangepast.
Zijn school telde tien teams, die onderling gezellig speelden. Voor belangrijke honkbalwedstrijden werden zelfs wel demonstraties gegeven. Zijn illusie van 'uitvinder' werd na de bevrijding wreed verstoord. Op het EDO-terrein zag Kammeijer Canadezen softball spelen en dat bleek ongeveer dezelfde sport, die hij ontwikkeld had. Jules is toch doorgegaan en werd later de eerste voorzitter van de Nederlandse Dames Softbalbond.

Dameshonkbal

links George Herman Babe Ruth en rechts Lou Gehrig Overigens was honkbal zeker niet voor alle dames te lastig, want al in de dertiger jaren werd het door HC Haarlem gespeeld. En hoe? De werpster, Mej. Van Denderen, gooide overhands en noteerde tegen de HBS II B liefst 13 keer drie slag. Ze kreeg maar één honkslag tegen. Een Hollandse Jackie Mitchell dus. Deze Amerikaanse schoonheid (Jackie Mitchell) gaf tijdens een demonstratie in 1931 Babe Ruth en Lou Gehrig met zes worpen drie slag.
Pikante beginnoot bij ons softbal: in navolging van de Nederlandse Honkbalbond, afgekort NHB, werd de nieuwe damesorganisatie NSB gedoopt. Een afkorting die heel snel veranderd werd in NDSB.

HHC uniek

Er is wat dit betreft een enigszins verwarrend document dat HHC kreeg op 24 april 1952. Het is een diploma, waarop wordt verklaard, dat HHC eerste werd in het seizoen 1951, dus voor de officiële Bond op 15 december 1951 werd opgericht. Een kampioenscertificaat met terugwerkende kracht dus. Datzelfde HHC werd in de volgende zeven, wel officiële, jaren liefst zes keer kampioen van Nederland met speelsters als Emmy Hofstra, Tineke Andrea, Renee de Haas, Els ter Meulen, Gerda Cammenga en niet te vergeten Mien en Hannie Berendonk, zusters die ook op het bestuurlijke vlak vrouwen van het eerste uur waren.
Al zijn Gymnasion en HCK voor het ontluikende softbal van belang geweest, als men de hele bondsrit tot heden bekijkt, is HHC absoluut uniek. Het is de enige club, die onafgebroken in de hoogste afdeling heeft gespeeld.

Vrouw als coach

Vanaf de jaren zestig wordt Janke Nijdam van steeds groter belang voor HHC. Ook Saskia de Jong verzet bergen werk. Nadat altijd mannen vrouwencoaches zijn geweest, is HHC de eerste topclub die een vrouw als coach heeft: Paula van der Mark. Het publiek vindt dat, al wel in 1970, maar raar en roept: 'Hé, moet jij niet meedoen, Je hebt toch ook een pak aan.'
Internationaal wordt er de eerste tien jaren al regelmatig tegen Amerikaanse teams uit West-Duitsland gespeeld. Op 29 mei 1960 is zelfs de eerste officieel geregistreerde interland tegen Italië. In Haarlem bij EDO wint Oranje met 4-3.

Sterren stralen

Heeft men van de min of meer sterke legerteams wel eens iets kunnen opsteken en misschien zelfs wel eens kunnen vaststellen dat softbal toch wel op belangrijke punten een andere sport is dan honkbal waaruit vrijwel alle trainers en coaches voortkomen, het echte verschil wordt in 1965 gedemonstreerd. Het beste team ter wereld, de Raybestos Brakettes, doet op een wereldtoer ook Holland aan en dan ziet men pas wat softbal is. Vooral wat betreft het pitchen. De grote ster Bertha Tickey, reeds oma, geeft een voorstelling waar men eenvoudig stil van wordt.

Naar een Nieuwe 'Softbal' Wereld

Twee jaar later speelt Willem de Ruiter het klaar om een trip naar een nieuwe 'softbalwereld' voor onze dames te arrangeren. In Stratford (Connecticut), de thuisplaats van de Raybestos, mag Oranje zelfs aan het officiële Amerikaanse kampioenschap als gastland meedoen. Defensief wordt zeker knap gespeeld en de Hollandse meisjes zijn de lievelingen van het publiek. Het belangrijkste zijn echter de softballessen geweest, die altijd bereidwillige Amerikaanse topcoaches als Ralph Raymond ieder vrij ogenblik wel wilde geven.

Eerste WK in Stratford

Van de verworven kennis heeft men in ons land niet alleen geprofiteerd, de Amerikaanse trip betekende het begin van een nieuw tijdperk. Dat werd vergemakkelijkt doordat er langzamerhand meer geld voor nationale teams ter beschikking kwam. In 1967 hadden de dames nog een flinke duit uit eigen zak moeten dokken. Het softbal in Nederland is nadien in ieder geval met sprongen vooruit gegaan.
Dat bleek zeven jaar later, toen men weer naar Stratford reisde, ditmaal om voor het eerst aan het wereldkampioenschap mee te doen. Met Nol Houtkamp als coach, hij zou vijftien jaar in functie blijven, behaalde Oranje in een toernooi met vijftien landen een eervolle, met Taiwan gedeelde, vijfde plaats.

Onze man in de Europese Softbal Federatie, Theo Vleeshouwer, is het geweest die het softbal in Europa zo goed mogelijk van de grond heeft trachten te krijgen door het instellen van toernooien om het Europees kampioenschap voor landen en de Europa Cup voor clubs.

Softbalweek

Sportief gezien zijn het kopieën van honkbal: ook de Nederlandse en Italiaanse softbalsters staan op eenzame hoogte. Voor het publiek is de Softbalweek met Amerikaane en Aziatische teams dan ook interessanter. Hierbij was Vleeshouwer met de Honkbalweek als voorbeeld eveneens de stuwende kracht. De grootste sprong voorwaarts is ongetwijfeld met de pitchers gemaakt. Ineke van der Veldt was bespeelbaar en dankte haar voortreffelijke resultaten in 1967 in Amerika al aan haar mentaliteit. Daarvan heeft ook haar club DSS, met zeven landstitels, profijt kunnen trekken.

Pitchers gaan overheersen

Marianne van Ginhoven was een van de eerste, die zich met veel wilskracht op de Amerikaanse wijze van werpen ging toeleggen. Met Ineke, inmiddels Mulder, Van der Veldt steekt zij verschillende seizoenen boven de toch ook vooruitgaande concurrentie uit. Vanaf 1978 zijn de pitchers steeds meer gaan overheersen. Fredy van Offeren en Els Koks worden de nieuwe sterren aan het softbalfirmament en zijn dikwijls vrijwel onbespeelbaar.

Record: zes titels op rij

Vooral Terrasvogels profiteert ervan. Els Koks leidt deze club naar een record van zes kampioenschappen op. Ook bij de Europa Cup, voor het eerst gewonnen in 1978, is Terrasvogels de belangrijkste vertegenwoordiger. In dat jaar 1978 bestaat Terrasvogels precies twintig jaar. Dat het bij de oprichting niet zo eenvoudig was als in latere jaren, toen de softbalsters de halve wereld afreisden, vertelt de man van de start Cees Goedhart: 'De gemeente steunde ons met f200,-. Ik ging naar Martin Jole, die in West-Duitsland materiaal uit Amerikaanse dumps haalde en verkocht. Voor honderd gulden kreeg ik acht handschoenen. Dus konden we beginnen.'
Met steeds toenemend succes. Vooral door de grote inzet van coach Teun van den Berg werden zijn Birds een hecht team. Ook zijn dochter Renee droeg een flink steentje bij, ook in het Nederlands team, want zij heeft een record aantal officiële interlands op haar naam.

Ongeveer 20 jaar aan de top

Bovenal moeten we echter Ludy van Mourik noemen. Met Betty Veenstra, van Pinguins (later HHC), is zij één van de allerbeste op onze softbalvelden geweest. Volgens de gegevens van bondsarchivaris Kees Leseman speelden zij 19 á 20 jaar aan de top. Wel noteerden beide uitblinksters 'maar' 65 officiële interlands. Daarnaast verdedigden Betty en Ludy de Oranje-kleuren evenwel zo dikwijls tegen sterke Amerikaanse teams, dat hun totaal aantal internationale duels ongeveer op veertien komt.

Het Honkbal- en Softbal Museum

Nederlandse Honkbal- en Softbal Museum Al deze bijzondere gebeurtenissen hebben het honk- en softbal in Nederland gemaakt zoals het nu is. In het Nederlandse Honkbal- en Softbal Museum is een verzameling te zien van uniek (foto)materiaal met berekking op bovenstaande gebeurtenissen.
Het museum, dat zich bevindt binnen de hekken van het Pim Mulierstadion in Haarlem, beschikt bovendien over een Eregalerij. Deze Hall of Fame is de eerste in Europa, bijzonder knap ontworpen door Jan Smidt. Het Museum en de Eregalerij zijn twee van de vele initiatieven van Guus van der Heijden geweest. Gé Hoogenbos

 

Auteur: Gé Hoogenbos
Gé Hoogenbos was van 1953 tot 1982 honkbaljournalist en is onder meer auteur van vier honkbalboeken. Als honkballers speelde hij vijftien jaar aan de top. Hoogenbos is 'uitvinder' van de Haarlemse Honkbalweek en stichter van de Haarlem Nicols. Met de Nicols veroverde hij als coach de eerste Europacup voor de Nederlandse sportwereld. Op 1 juli 1988 werd Hoogenbos gekozen in de Nederlandse Hall of Fame.

Honkbal en softbal zijn populaire onderwerpen voor een werkstuk of spreekbeurt op een basisschool of een school uit het voortgezet onderwijs. Bekijk voorbeelden van andere scholieren.

 

Helemaal honkbalgek? Dan zijn de honkbalpuzzels echt iets voor jou! Van de meest spectaculaire honkbalfoto's moet jij proberen om weer één geheel te maken! Makkelijk? Dacht het niet!